Make your own free website on Tripod.com

Yoga - De weg naar Vervolmaking

Bhagavad Gita Hoofdstuk Zes
Home | Advaita Yoga | Nieuw | Bhagavad Gita | Over ons | Kontakt | Activiteiten | Agenda | Foto Gallery | Hatha Yoga | Raja Yoga | Integrale Yoga | Sivananda Yoga

Bhagavad Gita

 

Bhagavad Gita

Het Lied van de Alvervulde.

Hoofdstuk Zes

6.1 De Alvervulde zei: Ken de ware verzaker en verbondene als degene, die zijn plichten vervult zonder daarvoor iets terug te verwachten. Het tegendeel geldt voor hen, die geen offervuur onderhouden en niets meer ondernemen.

6.2 O zoon van Pandu, het proces, dat verzaking genoemd wordt, dien je als verbinding te kennen, want zonder verzaking kan niemand tot verbinding komen.

6.3 Voor de beginner, die vooruitgang wil boeken op het pad van yoga wordt handelen aanbevolen, terwijl voor de persoon, die tot verbinding is gekomen, verzaking het middel is.

6.4 Pas als men onthecht is van zingenot en baatzuchtig handelen, heet men tot verbinding gekomen.

6.5 Bevrijding van de ziel komt voort uit onthechting van de geest, terwijl gevangenschap van de ziel voortkomt uit gehechtheid van dezelfde geest. De geest is zowel de vriend als de vijand van de ziel.

6.6 Voor degene, die zijn geest beheerst, is deze een vriend, terwijl voor degene, die deze niet niet bedwongen heeft, de geest een vijand is.

6.7 Degene, die zijn geest overwonnen heeft en evenwichtig blijft in voor en tegenspoed, geluk en verdriet en eer en schande, is verbonden met de Heer in het hart.

6.8 Wie in zijn hart voldaan is door kennis en realisatie, in zinbeteugeling is verankerd, voor wie klei, stenen en goud evenveel waard zijn, wordt een verbondene genoemd.

6.9 Hoger is hij, die vriend, kennis en vijand met eendere blik beschouwd en dus iedereen gelijk behandelt, of het nu zondaars of heiligen zijn.

6.10 De yogi dient alleen op een afgezonderde plek te verblijven. Terwijl hij zich daar zonder ander verlangen toelegt op mentale en fysieke zelfbeheersing, dient de yogi op te gaan in meditatie op het Zelf.

6.11 Op  een reine plek, die niet te hoog is en niet te laag is, moet de yogi zijn zitplaats vestigen, bestaande uit kusha-gras, een hertevel en een lap stof.

6.12 Zittend op die plek dient hij vervolgens met de aandacht op een enkel punt gericht in een meditatieve trance op te gaan, terwijl hij alle mentale en zintuiglijke activiteiten beheerst. Aldus wordt zijn hart gezuiverd.

6.13 Terwijl hij zijn lichaam, hoofd en nek rechtop houdt, dient de yogi roerloos en ferm zijn blik op de punt van de neus te richten zonder zijn gedachten te laten afdwalen.

6.14 Dan dient hij zijn hart, zonder angst en in kuisheid verankerd, verbonden in devotie op Mij te richten.

6.15 Terwijl hij zich zo met bedwongen geest constant beheerst, bereikt hij de vrede en hoogste rust, die mij eigen is.

6.16 O Arjuna, de verbinding blijft uit voor degenen, die teveel of te weinig eten, alsmede voor hen, die te veel of te weinig slapen.

6.17 Voor iemand, die op gereguleerde wijze eet, slaapt en zijn plichten vervult, leidt de beoefening van yoga geleidelijk tot verlossing van al het wereldse lijden.

6.18 Als het gedisciplineerde hart van iemand, die onthecht is van alle lust, volkomen in het Zelf opgaat, wordt hij verbonden genoemd.

6.19 Weet voorwaar, dat, zoals een vlam op een windloze plaats niet wakkert, de beheerste geest van een yogi niet wankelt in zijn concentratie op het Zelf.

6.20 Yoga is de naam, die gegeven wordt aan de staat, waarin aan alle materiele leed een einde komt en waarbij de geest tot rust komt door gedisciplineerde beoefening.

6.21-22 Het is een staat, waarin de yogi door het zelf het Zelf ziende in het Zelf geniet, waarin hij vanuit dat inzicht een eindeloze zinnelijke rust ervaart, waarin hij onwankelbaar in waarheid verblijft en denkt, dat er niets hogers bestaat en waarin hij zelfs niet door de grootste ongemakken uit evenwicht wordt gebracht.

6.23 Om deze staat te bereiken moet men zich met volharding en opgewekt hart op yoga beoefening toeleggen en vertrouwen op succes.

6.24 Men dient alle verlangens, die uit de geest geboren worden tezamen met hun beeltenis op te geven, terwijl men alle zintuigen van hun objecten terugtrekt.

6.25 Met behulp van de intelligentie moet men de geest tot rust laten komen in het Zelf. Door de geleidelijke beoefening van het beheersen van de geest dient men vervolgens volkomen op te gaan in het Zelf.

6.26 De van nature wispelturige en wankele geest, die almaar door zinnenprikkels afgeleid wordt, moet vandaar steeds onder controle van het Zelf worden gebracht.

6.27 Zo'n yogi, wiens hart vrij is van hartstocht en tot verbintenis is opgegaan, ervaart dan de hoogste vreugde.

6.28 Door constante realisatie van zijn goddelijke natuur vindt de zondeloze yogi mallelijk eindeloos geluk.

6.29 Degene, die door yoga tot verbinding is gekomen, beschouwt alle levende wezens als gelijkwaardig, omdat hij in allen het Zelf ziet en het Zelf in allen.

6.30 Voor degene, die Mij in alles ontwaart en de schepping in Mij, ben ik nooit onzichtbaar en hij niet voor Mij.

6.31 De yogi, die me eert met het besef, dat Ik in alle wezens verblijf, leeft in Mij, ongeacht hoe hij handelt.

6.32 O Arjuna, als hoogste yogi beschouw Ik hen, die de vreugde en het verdriet in andere levende wezens als gelijk aan zijn eigen ziet.

6.33 Arjuna zei: O doder van Madhu, vanwege de wankelheid van de geest zie ik geen heil in de yoga van evenwicht, die Je zojuist beschreven hebt.

6.34 O Krishna, mijn geest is van nature wispelturig, woest, sterk en onbeheersbaar. Hij lijkt me even moeilijk te temmen als de wind.

6.35 De Alvervulde zei: Het leidt geen twijfel, dat de geest wankel is en moeilijk te beteugelen. Maar, zoon van Kunti, door constante oefening en onthechting raakt hij bedwongen.

6.36 Het is moeilijk voor losbandige lieden om verbinding door yoga te bereiken. Dat is voorwaar mijn mening. Maar degene, die volhardt in de juiste methode kan zeker slagen.

6.37 Arjuna zei: O Krishna, wat is het lot van iemand, die tot het geloof is gekomen, maar wiens geest van het yogapad is afgedwaald zonder dat hij tot volmaakte verbinding is gekomen.

6.38 O sterk gearmde, wat is de positie van een persoon, die zonder steun het geestelijke pad is kwijt geraakt? Is hij niet als een verwaaide wolk?

6.39 O Krishna, niemand anders dan Jij kan mijn twijfels wegnemen. Een ander persoon is er niet.

6.40 De Alvervulde zei: O zoon van Kunti, degene, die onsuccesvol is op het pad van yoga, gaat noch in dit leven, noch in het volgende verloren. Niemand, die het goede nastreeft, wacht een kwaad einde.

6.41 Na vele jaren in hogere sferen doorgebracht te hebben, wordt iemand, die van het pad van yoga is weggevallen, wedergeboren in het huis van zuivere en nobele mensen.

6.42 Of hij komt beslist terecht in het huis van yoga beoefenaars. Zo'n geboorte is deze wereld zeldzaam te verkrijgen.

6.43 O telg van Kuru, vervolgens hervindt de yogi de kennis uit zijn voorgaande beoefening en streeft daarop weer naar volmaaktheid.

6.44 Hoewel hij voorheen wegens omstandigheden onsuccesvol was, raakt hij vanwege zijn voorgaande beoefening weer tot yoga aangetrokken.

6.45 Met grotere vastberadenheid dan voorheen komt de yogi, rein van hart tot de volmaaktheid van jarenlange beoefening. Daarna bereikt hij het hoogste doel.

6.46 Ik acht de verbondene hoger dan de asceet, de eenheidszoeker en de ritualist. Wees daarom een verbondene, Arjuna.

6.47 Degene, die Mij met een hart vol geloof en liefde toegewijd dient, beschouw Ik van alle yogi's het meest met Mij verbonden.

Bhagavad Gita - Stichting Gokul.

Hoofdstuk Zeven

Bhagavad Gita

Yoga Zoetermeer *Chris Duindam*