Make your own free website on Tripod.com

Yoga - De weg naar Vervolmaking

Bhagavad Gita hoofdstuk Dertien
Home | Advaita Yoga | Nieuw | Bhagavad Gita | Over ons | Kontakt | Activiteiten | Agenda | Foto Gallery | Hatha Yoga | Raja Yoga | Integrale Yoga | Sivananda Yoga

Bhagavad Gita Hoofdstuk Dertien

Bhagavad Gita
 
Het Lied van de Alvervulde
 

Hoofdstuk Dertien

13.1 Arjuna zei: O Rijkgelokte, ik wil weten over de natuur en de persoon, het veld en de kenner van het veld, over kennis en het kenbare.

13.2 De Alvervulde zei: O zoon van Kunti, het lichaam wordt het veld genoemd en degene, die dit veld kent, wordt door hen, die de waarheid schouwen, de kenner van het veld genoemd.

13.3 O telg van Bharata, weet dan verder, dat Ik in alle lichamen verblijf als kenner van het veld. De kennis van het veld en de kenner van het veld vormen ware kennis. Dat is mijn mening.

13.4 Hoor nu in het kort van mij over de substantie en de natuur van het veld en hoe het ontstaat. Hoor ook over de fundamentele vorm en het vermogen van de kenner van het veld.

13.5 Deze kennis is op veel verschillende manieren beschreven door de wijzen en in de Veda's met sluitende logica en onweerlegbare conclusies.

13.6-7. Samengevat wordt al het volgende als het veld en zijn veranderingen omschreven: de vijf elementen, het valse ego, het verstand, de oermaterie, de elf zinnen, de vijf zinsobjecten, begeerte, afkeer, geluk, leed, lichaam, bewustzijn en wil.

13.8-12 Vrijheid van trots en huichelarij, geweldloosheid, verdraagzaamheid, oprechtheid, het dienen van de leraar, reinheid, standvastigheid, zelfbeheersing, onthechtheid, egoloosheid, besef van ellende van het materiele bestaan, vrijheid van gebondenheid van vrouw en kinderen, evenwichtigheid in geluk en verdriet, onwankelbare en exclusieve toewijding, hang naar afzondering en onverschilligheid tegenover wereldlingen --- dit wordt kennis genoemd en al het andere onwetendheid.

13.13 Nu zal Ik dat wat kenbaar is verklaren, waardoor men onsterfelijkheid verwerft. Het wordt aangeduid als het beginloze en eeuwige Brahman, dat aan Mij ondergeschikt is en aan oorzaak en gevolg ontstegen is.

13.14 Dit Brahman doordringt het hele heelal. Zijn handen, ogen, hoofden, gezichten en oren zijn overal.

13.15 Hoewel Brahman de verlichter van alle zintuigen en hun functies is, is Hij de instandhouder van iedereen. En hoewel Hij los is van de leibanden, is Hij er de genieter van.

13.16 Hij bevindt zich zowel binnen als buiten de levende wezens, is zowel het bewegende als het niet bewegende. Moeilijk te bevatten door zijn subtiliteit is Hij zowel ver weg als dichtbij.

13.17 Hoewel ondeelbaar, verblijft Hij als deel in de levende wezens. Ken hem als de Schepper, Instandhouder en Vernietiger van alle levende wezens.

13.18 Hij wordt het licht van alle lichten genoemd, ontstegen aan onwetendheid. Hij is de kennis, het kenbare en datgene wat door kennis bereikt kan worden. Hij bevindt zich in het hart van al wat is.

13.19 Het veld, de kennis en het kenbare zijn aldus in het kort beschreven. Door dit te begrijpen, bereikt Mijn toegewijde Mijn wezenstaat.

13.20 Weet voorwaar, dat zowel de materie als de ziel beginloos zijn. Weet ook, dat hun transformatie volgens de drie leibanden uit de materie geboren wordt.

13.21 De materiele natuur wordt verantwoordelijk genoemd in de werking van oorzaak en gevolg. De ziel wordt als oorzaak genoemd in het ervaren van geluk en verdriet.

13.22 De ziel, die zich ophoudt in de natuur, geniet van de zinsobjecten, die uit de natuur geboren worden. Contact met de leibanden is er de oorzaak van dat ziel geboorte neemt in hogere en lagere levensvormen.

13.23 In dit zelfde lichaam verblijft ook de Opperziel, het Hoogste wezen als Getuige, Gedoger, Ondersteuner en Ervarende.

13.24 Wie op deze wijze de persoon, de Heer en de materiele natuur te samen met haar leibanden kent, wordt ongeacht zijn huidige situatie niet meer wedergeboren.

13.25 Sommigen schouwen de Superziel in hun hart door meditatie. Anderen zien Hem door de Yoga van het onderscheid en van het handelen.

13.26 Weer anderen, die dit niet weten, beginnen hun verering nadat ze er van anderen over gehoord hebben. Toegewijd aan het luisteren kunnen zij ook zeker de dood ontstijgen.

13.27 O sterke onder Bharata's telgen, weet, dat zowel de bewegende als niet-bewegende wezens geboren worden uit de combinatie van het veld en de kenner van het veld.

13.28 Alleen zij, die de hoogste Heer geleidelijk in alle wezens waarnemen als het onvergankelijke in het vergankelijke --- die zien werkelijk.

13.29 Wie de hoogste Heer overal aanwezig ziet, wordt niet door zijn geest verlaagd en nadert daarom het hoogste doel.

13.30 Wie ziet, dat al het handelen uitgevoerd wordt door de materiele natuur, terwijl het Zelf niets doet, ziet werkelijk.

13.31 Wanneer men eenheid ziet in de verschillende naturen van de levende wezens, bereikt men Godrealisatie.

13.32 O Arjuna, omdat de onvergankelijke opperziel zonder begin en boven de natuur verheven is, handelt Hij niet en raakt Hij niet gebonden, ook al verblijft Hij in het lichaam.

13.33 Zoals de ether alles doordringt en zich tegelijkertijd vanwege haar subtiliteit met niets mengt, zo doordringt ook de ziel het lichaam zonder dat ze er door besmet raakt.

13.34 O telg van Bharata, zoals de zon het gehele universum verlicht, zo verlicht de heer van het veld(de ziel) het hele veld.

13.35 Zij, die met ogen van kennis op deze wijze onderscheid maken tussen het veld en zijn kenner en aldus weten hoe de ziel uit de materie verlost kan worden, bereiken het hoogste doel.

Hoofdstuk Veertien

Bhagavad Gita

Yoga Zoetermeer *Chris Duindam*