Make your own free website on Tripod.com

Yoga - De weg naar Vervolmaking

Bhagavad Gita Hoofdstuk Vijf

Home | Advaita Yoga | Nieuw | Bhagavad Gita | Over ons | Kontakt | Activiteiten | Agenda | Foto Gallery | Hatha Yoga | Raja Yoga | Integrale Yoga | Sivananda Yoga

Bhagavad Gita Hoofdstuk Vijf

 

Bhagavad Gita.

Het Lied van de Alvervulde.

Hoofdstuk Vijf.

5.1 Arjuna zei: O Krishna, na me eerst het verzaken van handelen onderwezen te hebben, wijs je nu op het pad van belangeloos handelen. Zeg me daarom duidelijk, welke van de twee het beste voor me is.

5.2 De Alvervulde zei: Zowel het verzaken van handelen als het pad van belangeloos handelen zijn voorspoedig. Maar van de twee is laatstgenoemde zeker het beste.

5.3 O sterk gearmde, degene, die verlangen noch haat koestert, dient men altijd te kennen als een verzaker. Omdat hij vrij is van de dualiteiten, raakt zo'n persoon makkelijk bevrijd uit de materiele wereld.

5.4 De wijzen ondersteunen de mening van de onwetenden niet, die verklaren, dat het pad der verzaking en het pad van verbonden handeling verschillend zijn. Wie een van de twee behoedzaam volgt, bereikt hetzelfde resultaat.

5.5 Het doel, dat bereikt wordt door de verzaker, wordt ook bereikt door de verbondene. Degene, die dit inziet, heeft werkelijk visie.

5.6 O sterk gearmde, slechts het verzaken van handelen zonder verbondenheid brengt ongeluk teweeg, terwijl degene, die verbonden handelt, snel de perfectie bereikt.

5.7 Wie verbonden is in yoga,innerlijk zuiver is en zijn geest en zinnen beheerst, is de beste vriend van alle levende wezens en raakt niet verstrikt, hoewel hij handelt.

5.8-9 Een verbonden kenner van de waarheid denkt, dat hij niets doet, terwijl hij ziet, hoort, voelt, proeft, ruikt, eet, loopt, slaapt, ademhaalt, praat, zich ontlast, grijpt en de ogen opent en sluit. Hij weet, dat het slechts de zinnen zijn, die bezig zijn met zinsobjecten.

5.10 Hij, die al zijn handelen aan de Heer opdraagt en zijn gehechtheid opgeeft, raakt niet door zonden bezoedeld, zoals een lotusblad niet door het water beroerd wordt.

5.11 Met lichaam, geest, verstand en zelfs met zinnen alleen verrichten de yogi's hun activiteiten slechts om de geest te zuiveren.

5.12 Een verbondene, die de vruchten van zijn handelen opgeeft, bereikt blijvende vrede, terwijl een onverbondene verstrikt raakt, omdat hij geobsedeerd is door de vruchten van het handelen.

5.13 De belichaamde ziel, die in zijn geest al het baatzuchtige handelen heeft laten varen, verblijft zeker gelukkig in de stad der negen poorten (het stoffelijk lichaam), terwijl hij niets doet en niets veroorzaakt.

5.14 De Heer schept de wezens niet als handelende personen, noch schept Hij de handelingen, noch de gehechtheid aan de vruchten van het handelen. Dit komt allemaal voort uit hun ingeboren aard.

5.15 De Heer neemt niemands kwaad op Zich, noch iemands goed. Doordat hun kennis door onwetendheid is verhuld, raken de schepselen in verwarring.

5.16 Maar voor degenen, wiens onwetendheid is vernietigd door het ware kennislicht van de ziel, wordt de hoogste Waarheid onthuld, zoals de zon alles verlicht bij zijn opkomst.

5.17 Degenen, wiens onwetendheid weggenomen is door bovenzinnelijke kennis, wiens intelligentie en hart naar Mij uitgaan en Mij volkomen toegewijd zijn, bereiken bevrijding en keren niet meer terug.

5.18 De wijzen bezien alles met gelijke blik en ontwaren het goddelijke in zowel een geleerde wijze, een koe, een olifant, een hond, als een hondenvleeseter.

5.19 Degenen, wiens geest in gelijkmoedigheid verankerd is, raken in dit leven aan de wereld ontstegen. Alles gelijk beziend, zijn zij vrij van de dualiteiten en verblijven in Godbewustzijn.

5.20 Degenen, die in Godbewustzijn verankerd is, een onwankelbaar inzicht heeft en onbegoocheld is, jubelt niet als hem iets aangenaams gebeurt en gruwt niet als hem iets onaangenaams overkomt.

5.21 Een ziel, die gehecht is aan gezinsgenot, vindt geluk in het zelf. Terwijl zo'n persoon met het Absolute verbonden is, ervaart hij oneindig geluk.

5.22 O zoon van Kunti, plezier, dat voortkomt uit de zintuigen is zeker een bron van ellende. Omdat dit plezier een begin en een einde heeft, raakt een wijs persoon er niet aan gehecht.

5.23 Degene, die in staat is om in dit leven, voordat hij het lichaam opgeeft, de driften, die voortkomen uit lust en woede te beheersen, is een verbondene en kent waar geluk.

5.24 De verbondene, die zelf innerlijk geluk ervaart, wiens geest opgaat in het zelf en innerlijk verlicht wordt, is een gerealiseerde ziel en komt tot bevrijding door realisatie van de Hoogste Waarheid.

5.25 De zondeloze zieners van de waarheid, die hun geest onder controle hebben, wiens twijfel is vernietigd en wie zich altijd bekommeren om het welzijn van anderen, bereiken bevrijding.

5.26 De verzakers, die bevrijd zijn van lust en woede, wiens geest volkomen beheerst is en wie de waarheid van het zelf aanschouwen, bereiken bevrijding in leven of in dood.

5.27-28 De wijze persoon, die de externe zinprikkelingen uit zijn geest bant, zijn blik tussen de wenkbrauwen richt, de adem, die door de neus in en uitgaat in evenwicht brengt en zinnen, geest en verstand beheerst, vrij is van begeerte, vrees en woede en voor wie verlossing het hoogste goed is, is voorwaar voorgoed bevrijd.

5.29 Wie Mij kent als de Genieter van offer en ascese, als de hoogste Heer van alle werelden en als Vriend van alle schepselen, verwerft zich vrede.

 Bhagavad Gita - Stichting Gokul

Hoofdstuk Zes

Bhagavad Gita

Yoga Zoetermeer *Chris Duindam*